Grond-, weg- en waterbouw

De grond-, weg- en waterbouw (GWW) is een van de grootste materiaalverbruikers van Nederland. Ieder jaar wordt meer dan 20 miljoen ton  materialen ingezet om onze wegen, kanalen, kunstwerken (bruggen, sluizen e.d.) en ondergrondse infrastructuur uit te breiden en te verbeteren (bron: SKAO, Op weg naar een klimaatneutrale infrasector; zie achtergrondinfo). Vaak zijn objecten technisch niet heel complex en liggen deze er voor een langere periode (20-100 jaar).

Aspecten van circulaire GWW

Circulaire principes in de GWW richten zich vaak op het materiaalniveau. Denk daarbij aan het hergebruik van bestaand materiaal, het verlengen van de levensduur van objecten of materialen, of aan toekomstige demontage. Rijkswaterstaat heeft een set met circulaire ontwerpprincipes voor de GWW ontwikkeld, met drie lagen:

  • Preventie: het voorkomen van materiaalverbruik
  • Waardebehoud: het behouden van waarde door levensduurverlenging van objecten en hergebruik van onderdelen of materialen
  • Waardecreatie: het ontwerpen en realiseren van nieuwe objecten voor een lange levensduur, toekomstbestendigheid, optimaal beheer & onderhoud, en duurzaam materiaalgebruik
Figuur Preventie, waardebehoud en waardecreatie in de GWW

 

Ontwerp voor aanpasbaarheid

Zo’n 90% van de kunstwerken (de verzamelnaam voor o.a. bruggen, viaducten en sluizen) van de Rijksoverheid worden gesloopt omdat ze functioneel verouderd zijn. Ze bevinden zich echter niet aan het einde van hun technische levensduur. Aanpasbaarheid op de lange termijn is daarom een belangrijk principe om de functionele levensduur van objecten te kunnen verlengen. Dit geldt vooral voor kunstwerken zoals bruggen en viaducten.

Om de aanpasbaarheid te verhogen is bijvoorbeeld een set met standaardverbindingen ontwikkeld voor een ophaalbrug. Voor dit Industrieel, Flexibel en Demontabel bouwen (IFD-bouwen) is een Nederlandse Technische Afspraak (NTA) ontwikkeld. In deze NTA zijn standaardafmetingen gegeven voor de verbindingspunten tussen verschillende onderdelen van een brug, zodat deze eenvoudig te vervangen zijn en onderdelen in de toekomst op andere bruggen toe te passen zijn. Op dit moment wordt de realisatie van de eerste twee nieuwe bruggen op basis van IFD voorbereid door de Provincie Noord-Holland en de Provincie Overijssel.

Ontwerp voor demontage

Het kan voorkomen dat er een tijdelijke behoefte ontstaat voor een bepaald werk, zoals een fietspad of een viaduct. Ook kan er een wens zijn om een product in de toekomst weer te kunnen demonteren. Er worden dan ook steeds meer circulaire GWW-concepten ontwikkeld die aansluiten op die behoeften. Denk bijvoorbeeld aan een demontabel fietspad die bestaat uit losse platen. Of aan het circulaire viaduct van Van Hattum & Blankevoort, dat in opdracht van Rijkswaterstaat is ontwikkeld en na zijn gebruiksperiode weer kan worden gedemonteerd en elders neergelegd.

Milieu-impact van toegepaste materialen

Bij veel GWW-projecten is de technische opgave relatief eenvoudig: het aanleggen van een object, met een vooraf vastgesteld ontwerp. Daar kan winst worden behaald door te sturen op de milieu-impact van toegepaste materialen, bijvoorbeeld met behulp van een levenscyclusanalyse (LCA), waarvan de uitkomst wordt uitgedrukt in de MKI (milieukostenindicator). Een LCA meet de milieu-impact van het gehele productiesysteem dat nodig is voor het aanleveren van materialen: gebruikte energie, extra materialen, transport en emissies worden allemaal meegenomen. Uit LCA’s  blijkt vaak dat de milieu-impact van hergebruikte materialen relatief laag is in vergelijking met de milieu-impact van nieuwe materialen. Het instrument DuboCalc kan helpen om deze impact te bepalen.

Vanuit het netwerk Bouw Circulair zijn standaardeisen ontwikkeld voor onder andere betonproducten. Deze kunnen door met name gemeenten worden overgenomen in het moederbestek. De eisen hebben betrekking op een maximale MKI waarde en een minimaal percentage gerecycled materiaal.

Investeringskosten, TCO en LCC

In de GWW speelt prijs vaak nog steeds een dominante rol in de gunning. Om circulaire ambities te realiseren is het belangrijk om ook naar kwalitatieve aspecten te kijken, zoals de prestaties over de levensduur van producten. Dat vraagt een andere kijk op kosten. Het sturen op een Total Cost of Ownership (TCO) of levenscycluskosten (LCC) ligt daarom meer voor de hand. De opbouw van deze verschillende kosten is weergegeven in onderstaande figuur, die verder is toegelicht in deze publicatie.

Verschillende manieren om naar kosten te kijken. Bron: PIANOo (2016) Levenscycluskosten als gunningscriterium
Verschillende manieren om naar kosten te kijken. Bron: PIANOo (2016) Levenscycluskosten als gunningscriterium

 

Aandachtspunten

  • Kies vanuit jouw opgave op welke op welke circulaire ontwerpprincipes je wilt inzetten. Maak dit vooraf duidelijk aan marktpartijen, zodat zij de juiste oplossingen kunnen bieden. Niet alle ontwerpprincipes zijn bij alle soorten opgaven van toepassing.
  • Kies vooraf of je een aanpasbaar of demontabel Werk wilt hebben (of niet). Voor sommige opgaven is dit wenselijk, voor andere juist niet: dit hangt af van jouw behoefte.
  • Stuur op het verlagen van de milieukosten van de toegepaste materialen. Het opvragen van de MilieuKostenIndicator (MKI) kan hierbij helpen.
  • Zoek naar mogelijkheden om beheer en onderhoud gezamenlijk met de realisatie aan te besteden, vooral bij kleinere opgaven: dan hebben marktpartijen een prikkel om meer kwaliteit te leveren.

Praktijkvoorbeelden

Achtergrondinformatie

Publicatie - Platform Circulair Bouwen 2023 (CB’23)

Het platform CB’23 werkt aan breed gedragen marktafspraken rondom standaardisatie van circulaire principes in de bouw. De resultaten zijn samengevat in drie leidraden, die te downloaden zijn op platformcb23.nl.

Tool - DuboCalc

DuboCalc helpt om de milieu-impact van een werk inzichtelijk te maken, op basis van data uit de nationale milieudatabase.

Suggesties en/of aanvullingen?